Ferrari 250 GTE
Door Vozzen



Een paardje?  Tja, ondanks dat ik een echte Jaguar adept ben, is en blijft een Ferrari de ultieme auto, sorry pap. Alles klopt aan dat merk uit Maranello, vanaf het begin aan actief in de koningsklasse, de Formule 1, goh dat beeld van Alesi die in de vrije ochtendtraining vol gas Eau Rouge neemt, staat voor alijd in mijn geheugen gegrift. En de periode erna met Jean Todt en Schumacher dan. Die modellenrange vanaf 1947 tot aan nu, teveel om op te noemen, maar toch, de SWB California, de Daytona, de BB serie, de F40, F50, de GTO, allemaal even mooi, de 250, 288, de Portofino en zelfs de 599. Illustere namen als Colombo, PininFarina, Scaglietti, niet te vergeten Luca di Montezemolo en ga zo nog maar even door. En dan die kleur, dat volle rood, Ferrari Rosso.

 

Zo stond ik met die namen in mijn achterhoofd op een mooie zomerdag bij een te koop staand paardje; een 250 GTE, om precies te zijn een 2+2 uit 1963, ditmaal geen rode maar een werkelijk sjieke zilverkleurige met blauw leder en ondanks dat het één van de “mindere” 250’s zou zijn, voorzien van die machtige 12-cylinder van Colombo, 3 Webers, 240 pk. De motor, daar draait het allemaal om, de rest zou volgens Enzo Ferrari bijzaak zijn, maar poeh wat een mooie lijn vind ik dit hoor, getekend door PininFarina.

 

 

Ik had optie tot koop afgesproken maar wilde er wel eerst nog een goede proefrit mee maken zodat ik de auto ook warm en goedlopend kon ervaren en zo gezegd zo gedaan. Fraai hoor, zittend achter dat houten Momo stuur met dat zwarte paardje op die gele achtergrond, die Veglia meters, die aluminium pook in dat schakelpatroon. Laag in de toeren rijd ik weg, vloeistoffen en olie moeten eerst goed warm worden en op ons gemak rijden we binnendoor over Leiden richting de Weipoort om de nieuwe trots aan 

het thuisfront te laten zien, ja de koop is in mijn hoofd al beklonken.

 

En als we zo rustig toeren, ronkt de 12-cylinder heerlijk weg, even wat tussengas, oh wat een mooi geluid zeg. Al moet ik zeggen dat het allemaal wel zwaar gaat, sturen, remmen. Ineens komt er een moderne Alfa Romeo naast ons rijden en de bestuurder toetert en zwaait of zijn leven ervan afhangt, goh een echte Italië fan denk ik nog, ja mooi wat dit merk allemaal losmaakt, die passie, top. Maar deze man blijft tot vervelends toe om ons heen cirkelen en toeteren en zwaaien en seinen, als dit altijd zo is, dan weet ik het nog niet met dat hele Ferrari schiet door mijn hoofd. Ik besluit eens flink gas te geven om hem af te schudden, maar dat valt nog vies tegen, de nieuwe pk’s van de Alfa zijn een stuk vlotter dan de oude van de 250 zullen we maar zeggen, als ik op het laatste bochtige stuk door het Groene Hart rijd en de Ferrari flink de sporen geef, schud ik de Alfiste eindelijk af.

Dat is mooi gelukt, maar jeetje wat rijdt dat ding toch zwaar, heel anders dan mijn eigen E-type. Als ik eenmaal het erf in de Weipoort op rijd, zie ik niet alleen op de oprijlaan een oliespoor, maar als ik het erf afloop ook tot in de verte over de gehele lengte van de weg die ik gekomen ben, zover als ik kan zien een enorm oliespoor en als ik, nieuwsgierig als ik ben, het spoor terugvolg, blijkt het ruim 8 kilometer lang te zijn. Oei, nu snap ik de beste man in de Alfa, dat was geen stalker, hij wilde mij behoeden voor de mogelijke gevolgen van deze lekkage. Nu snap ik ook dat de Ferrari maar niet warm wilde worden en bleef rijden als een tank, Tja de Ferrari is op een trailer teruggegaan naar de eigenaar, de koop ging niet door en in mijn stal is na deze ervaring nooit meer een paardje gekomen!